Congenitale heupdysplasie

U bevindt zich hier: Patiënten informatie » Congenitale heupdysplasie

Congenitale heupdysplasie (DDH)

Wat is er aan de hand bij congenitale heupdysplasie?

Onder congenitale heupdysplasie (CHD) of developmental dysplasia of the hip (DDH) verstaat men een te ondiepe heupkom. De mate van ondiep zijn is verschillend. In het ernstigste geval is de heupkom zo ondiep dat de heupkop geheel uit de kom( luxatie) staat. In een iets mildere vorm is de heupkop gedeeltelijk uit de kom (subluxatie) en in de mildste vorm zit de heupkop wel in de ondiepe kom. Als de heupkop uit de kom staat krijgt de kom onvoldoende groeiprikkel. Als de kop binnen het eerste levensjaar in de kom gezet wordt, kan het lichaam deze achterstand vaak weer inlopen.

Welk kind krijgt een vorm van DDH?

Dat is van tevoren niet zeker te zeggen. DDH komt vaker voor bij meisjes dan bij jongens (4:1). Sommige kinderen hebben meer kans op het krijgen van DDH: DDH komt iets meer voor dan normaal bij kinderen die in het laatste trimester in stuit hebben gelegen, bij kinderen waarvan ouders of zusjes / broertjes DDH hebben, en bij kinderen met andere aangeboren afwijkingen. Hoewel de kans dat dit soort kinderen DDH krijgen bijvoorbeeld 2 tot 4 keer groter is dan normaal, blijft de kans relatief klein: bij verder normale kinderen komt DDH op de leeftijd van 3 maanden ongeveer in 2-3% voor.

Waarom moet DDH behandeld worden?

Als de heupkom te ondiep en te klein blijft is dit in de jeugd nog niet een groot probleem. Bij een instabiele heup gaan kinderen vaak iets mankend, zonder dat dit pijnlijk is. Echter de belangrijkste gevolgen treden pas later op: bij een te kleine heupkom treden er piekbelastingen in het glijvlak van het heupgewricht op met als gevolg dat het gewricht eerder kan gaan slijten. Slijtage in een gewricht geeft pijnklachten en invaliditeit. De vroege behandeling van DDH dient om te zorgen dat het heupgewricht zich tot een normaal volwaardig gewricht ontwikkelt om zo de kans op slijtage op latere leeftijd zo klein mogelijk te maken.

Wat merkt mijn kind of wat merk ik?

Niet zoveel. DDH is niet pijnlijk. Op het consultatiebureau wordt door de arts uw baby op DDH onderzocht. Hij/zij zal letten of de bewegingsmogelijkheden van de heup. Een wezenlijk verminderde beweeglijkheid kan een teken zijn van DDH. Indien bij DDH de heupkop uit de kom staat is het beentje wat korter, maar dit is bij baby’s over het algemeen alleen door ervaren artsen te zien. Asymmetrische bilplooien komen zo vaak voor dat ze als signaleringsteken weinig waarde hebben. Bij twijfel zal uw CB arts u verwijzen voor nader onderzoek door middel van echografie. Dit kan over het algemeen het best gebeuren als een kind 3 á 4 maanden oud is. Als bij uw kind de diagnose DDH gemist is en uw kind gaat lopen kan het bij de ernstigste vormen wat manken. Meer merkt men er niet van.

Wat voor onderzoek is zinvol bij DDH?

Zoals boven beschreven is het zeker stellen van de diagnose niet altijd makkelijk. Met behulp van ultrageluid (echografie) is de heup goed zichtbaar te maken tot de leeftijd van 8 –12 maanden. Röntgenfoto’s werden vroeger veel gebruikt maar geven in de eerste maanden minder informatie en zijn de eerste 4 maanden nauwelijks te gebruiken. Bij kinderen boven de 6-8 maanden zijn röntgen foto’s wel zinvol om de heup af te beelden. Voor speciale situaties kan een MRI worden gebruikt of een contrastonderzoek van het heupgewricht (beide met een kind onder narcose). Met een goede ECHO expertise is dit vrijwel niet meer nodig.

Is DDH te behandelen?

DDH is goed te behandelen. Er zijn wel verschillen in het gemak waarmee dit lukt. Het eerste doel is te zorgen dat het kopje weer in de kom komt. Hiertoe worden bij kinderen tot een half jaar zogenaamde spreidvoorzieningen gebruikt: door de beentjes zachtjes te spreiden wordt het heupkopje weer langzaam in de het kommetje gebracht. Voorbeelden van de spreidvoorziening zijn o.a. de Pavlik brace, of de Camp spreider. Soms lukt het niet met deze methoden en dan kan het heupje eventueel na een zogenaamde tractie periode onder narcose in de kom worden gebracht. In zo’n situatie wordt om het heupje op de goede plaats te houden een gipsbroek gebruikt. Een enkele keer is een operatie nodig om de heupkop in de kom te brengen.

Wat is er op termijn te verwachten?

Zeker als het heupje rond de eerste verjaardag al in de kom zit ontwikkelt het heupgewricht zich over het algemeen goed. Als het kopje pas op het derde jaar in de kom komt blijft het gewricht vaak wat onderontwikkeld. -->

U bevindt zich hier: Patiënten informatie » Congenitale heupdysplasie
(advertenties)
Print deze pagina uit Print deze pagina
Voeg Kinderorthopedie.nl toe aan je favorieten! Favorieten
(advertenties)